De afbakening van het stedelijk gebied Turnhout
Over de afbakening van het stedelijk gebied Turnhout
’t Is een stap in de goede richting
1.- Er is eindelijk een trendbreuk mogelijk in het ruimtelijk ordeningsbeleid door de versterking van zowel de stedelijkheid als de landelijkheid en de open ruimte. Door toepassing van het principe van de gedeconcentreerde bundeling kan in meer landelijke gemeenten de lintbebouwing worden tegengegaan en worden de kernen (nederzettingsstructuur) versterkt.
2.- Voor het stedelijk gebied Turnhout beschikken we nu eindelijk over cijfers op het vlak van woningaanbod en woningvoorraad en dit in het zicht van een demografische evolutie. Een echte woonbehoeftestudie is dit nog niet maar het stelt ons toch al in staat om woonuitbreidingsgebieden weg te tekenen omdat de voorraad langs uitgeruste wegen en in verkavelingen groot genoeg is. De specifieke situatie van Beerse (een groot aanbod van bouwgronden in het woongebied) vereist tenslotte dat eerst alle bestaande verkavelingen worden opgevuld alvorens er nieuwe worden opgestart.
3.- Een belangrijk voordeel van de afbakening van het stedelijk gebied is dat het landelijk verkavelen nu sterk wordt beperkt door de opgelegde minimale bouwdichtheden van 25 woningen per ha. Deze norm geeft de gemeenten voldoende mogelijkheden om een aangename, leefbare kern te organiseren waarin de kwaliteit van de woonomgeving gegarandeerd wordt. Dit moet nog zijn weerslag vinden in de RUPs. Hierbij roept AGALEV de gemeentebesturen op om van de kernontwikkeling een prioriteit te maken.
4.- Ook het stedelijk wonen kan nu meer aantrekkelijk gemaakt worden, waardoor de druk op de buitengebieden sterk kan afnemen en waardoor Turnhout zich als woonstad beter kan profileren.
5.- Er wordt nu bijna wetenschappelijk aan de hand van historische groei en op basis van plannen aangeduid dat ons stedelijk gebied het enige in Vlaanderen is dat in zo’n omvangrijk groen gebied ligt ingebed. Hieruit vloeit onze opdracht en verantwoordelijkheid voort om deze troef te versterken en ruimtelijk beter af te werken. Het niet sluiten van de ring en het niet aansnijden van de Wieltjes zijn hier goede voorbeelden van!
6.- De plicht tot samenwerken wordt door deze afbakening sterker gemaakt. Rond sport en het aanwenden van diverse sportinfrastructuur moet er meer werk gemaakt worden van een optimale bezetting en een intensievere benutting. Een inventarisatie dringt zich op.
De samenwerking kan nog meer geconcretiseerd worden door de VZW RSGT als projectbewaker van het afbakeningsproces te benoemen. AGALEV roept de 4 gemeenten op om hiervoor de middelen te voorzien.
7.- Het afbakeningsproces heeft bij ons en onze bestuurders nieuwe inzichten bijgebracht: afwerken van randen van woongebieden, buffering, die vooraf wordt ingeplant en aangelegd zijn verworvenheden, die zonder dit proces geen schijn van kans zouden hebben gekregen wegens te groen of overbodig. Anderzijds moet het proces voortgezet worden omdat bij verschillende bestuurders nog steeds teveel nadruk wordt gelegd op onvoorwaardelijk bestemmen en het onmiddellijk ontwikkelen van grondverslindende activiteiten.
8.- Ook het stadsbos wordt positief onthaald; zonder het afbakeningsdossier zou er geen sprake van zijn geweest en ook nu nog zullen heel wat obstakels moeten overwonnen worden om tot concrete realisaties te komen..
9.- De plaatselijk besturen hebben nog een grote verantwoordelijkheid te nemen in de herlocalisatie of regularisatie van zonevreemde ondernemingen. AGALEV spoort onze besturen hierbij aan om de kwaliteit van de woonomgeving als prioritair criterium te hanteren. De landbouw- en groengebieden moeten gevrijwaard blijven.
10.- Gebruikmakend van het invullen van de taakstelling “wonen” kunnen we met een inhaalbeweging ertoe komen dat randgemeenten terug meer investeren in sociale woningbouw. AGALEV roept de gemeenten op om sociale woningbouw zoveel mogelijk in bestaande verkavelingen te integreren en hun verantwoordelijkheid te nemen in de compensaties hiervoor. Hierdoor gaat gettovorming voorkomen worden en krijgt de sociale mix meer kans.
11.- De mobiliteitsplannen van het stedelijk gebied dienen op mekaar afgestemd te worden. Overleg tussen Beerse enerzijds en de drie andere gemeenten van het stedelijk gebied dringt zich op. De plannen moeten zo opgemaakt worden dat alle infrastructuur en diensten zowel door de fietser als de openbaar vervoersgebruiker optimaal kunnen bereikt worden.
12.- De verhouding E34 tot de Turnhoutse ring, de Noord-Zuidverbinding en het stedelijk openbaar vervoersnet blijven hete hangijzers en moeilijke dossiers. Het gebied zal voortaan blijven verstedelijken. Een “voorstedelijk openbaar vervoersnet” is een haalbare opdracht gezien de beperkte oppervlakte van het stedelijk gebied.
maar…
13.- Eén procent economische groei brengt met zich mee:
* 1 % inname van de openbare ruimte
* 1 % meer verontreiniging
* 1 % meer verkeer.
Groei-economie is geen doelstelling: wel tewerkstelling. Het afbakeningsvoorstel moet uitgaan van een werkgelegenheidsstudie voor het bepalen van de tewerkstelling. Een middel hiertoe is het aanleggen van industrieterreinen, maar dit kan enkel als alle overig middelen zijn uitgeput.
14.- De door de Vlaamse regering in 1997 goedgekeurde doelstelling van 10.000 ha bijkomende bedrijventerreinen werd naar de regio’s vertaald op basis van spitsvondig rekenwerk en verouderde cijfergegevens. Voor Turnhout werd het streefcijfer vastgelegd op 209 ha, waarvan 103 ha prioritair en 106 ha reservegebied). Gezien de korte termijn, waarbinnen deze planning gerealiseerd dient te worden (afbakeningsperiode tot 2007), zal het al een huzarenwerk zijn om de prioritaire terreinen te ontwikkelen. Het heeft daarom nu geen zin nu de reserveterreinen af te bakenen.
15.- AGALEV is geen voorstaander van het creëren van een groot aanbod aan industrieterreinen, maar opteert eerder voor het model van de gewenste schaarste. Er ligt in Vlaanderen voldoende te saneren gebied waar de gehele industriële behoefte kan ondergebracht worden. Korte termijn kostprijsberekeningen maken echter dat het goedkoper is landbouwgebied om te vormen naar industrieterrein dan door industriële activiteit vervuilde sites te saneren en op die manier te recycleren.
16.- Er moet over gewaakt worden dat de aard van de activiteit voor het stedelijk gebied een maximaal voordeel biedt. Een gemengd bedrijventerrein als Veedijk zal niet veel duurzame arbeidsplaatsen creëren. Het inplannen van een logistiek park op deze plaats is waanzin, want dit is enkel bereikbaar langs de weg. Willen we de congestie van Antwerpen en Rotterdam naar de Kempen verplaatsen? Welk is het nut van een logistiek park tussen Meer en Meerhout, waar bovendien het spoor en het kanaal bijkomende ontsluitingsmogelijkheden bieden?
17.- De voorliggende afbakening van het stedelijk gebied geldt voor de periode 2002 tot 2007. We moeten deze tijd aangrijpen om eerst een aantal correcties uit te voeren. De inefficiënte opvulling van de huidige terreinen wordt door iedereen erkend: losbouw, veel privé groen, grote parkings, geen hoogbouw, woningen en winkels op bestaande industrieterreinen. Een maximale benutting moet nagestreefd worden. AGALEV vraagt, in navolging van het gemeentebestuur van Beerse, dat eerst wordt nagegaan hoe een verdichting van de bestaande terreinen kan gerealiseerd worden. Welke zijn de mogelijkheden om tot een optimale bezetting te komen, gezien het feit dat slechts 30 % van de grond voor economische activiteit gebruikt wordt?
18.- In onze kernen liggen nog een aantal sites, waar d.m.v. gemengde projecten van woningbouw en economische activiteit, ook een gedeelte van de doelstelling werkgelegenheid kan gerealiseerd worden. Een inventarisatie en stappenplan is noodzakelijk.
19.- AGALEV verzet zich tegen het huidige afbakeningsvoorstel wat betreft Veedijk en Beerse Zuid b. We moeten er niet aan twijfelen dat als de Vlaamse regering dit goedkeurt de voorgestelde industrieterreinen onmiddellijk zullen ingenomen worden. Volgens AGALEV liggen de prioriteiten evenwel anders:
AGALEV vraagt dat eerst werk wordt gemaakt van de verdichting van de huidige bedrijfszones; de mogelijkheden worden ons gegeven door de techniek van de verkavelingswijziging. Hiervoor is enkel wat politieke moed vereist en een goede samenwerking.
’t Kan beter!
AGALEV vraagt een inventaris van verlaten sites in de kernen, waar dienstverlening kan verweven worden met een aangenaam woonklimaat.
AGALEV vraagt dat de reserveterreinen uit de taakstelling worden gelicht. De herziening van de afbakening gebeurt in 2007. Een nieuwe taakstelling op basis van actuele gegevens is dan aangewezen. Hierbij stellen we ons de vraag of er geen grenzen zijn aan de vraag naar ruimte en ongebreidelde economische groei?
AGALEV vraagt dat de ontwikkeling van industrieterreinen gekoppeld wordt aan konkrete doelstellingen m.b.t. arbeidsplaatsen en ecologische randvoorwaarden.
AGALEV vraagt dat de principes van duurzame industrieterreinen onverwijld worden onderzocht voor de bestaande terreinen en geïmplementeerd op de nieuwe terreinen.
AGALEV vraagt dat i.p.v. een forfaitair cijfer van 5 ha per gemeente voor de herlocalisatie van zonevreemde bedrijven er een inventaris en plan wordt opgemaakt, dat democratisch beslist wordt. Dit plan moet aangeven welke bedrijven kunnen verweven worden met de woonfunctie en welke de modaliteiten en timing zijn waarbinnen de overige de gelegenheid krijgen om naar de nieuwe terreinen te verhuizen. Ook deze cijfers dienen in de taakstelling te worden opgenomen. Dit geldt tevens voor de zonevreemde activiteiten in industrie- en ambachtszones. Mobiliteit moet een prioritair criterium worden bij de bepaling van het zonevreemde karakter.
AGALEV vraagt dat de mobiliteitsplannen (in opmaak) meer en concreet worden afgestemd op de ruimtelijke afbakening. Het voorzien van een nieuwe ziekenhuiscampus aan de Stwg op Merksplas is ruimtelijk en verkeerstechnisch geen goede zaak.
AGALEV-Beerse / AGALEV-Oud-Turnhout / AGALEV-Turnhout / AGALEVosselaar

